Nieuw Israelietisch Weekblad, vrijdag 6 november 1987

Christie’s veilt werk Van joodse schilders
door Hans Evers
Het veilinghuis Christie’s te Amsterdam brengt een collectie werken van joodse schilders onder de hamer. De schilderijen en aquarellen zijn eigendom van Jonas Knoop, die zijn verzameling de laatste vijftien jaar heeft aangelegd, in navolging van zijn vader.
“Mijn vader, nu 87 jaar oud, is u ermee begonnen, lang voor de oorlog. Hij had een sigarenzaak in Amsterdam, in de Oude Hoogstraat, niet ver van de Dam. Meer bekend was hij echter door de voorverkoop van kaarten voor voetbalwestrijden in het Olympisch Stadion. Zijn klanten waren meest joden, onder wie veel kunstenaars. De laatsten kochten alles op de pof. Na verloop van tijd kwamen ze opbiechten dat ze geen geld hadden. Mijn vader zei dan Geef me er maar een schilderijtje voor. Langzamerhand werden het er heel wat. Ons huis hing vol. Dat hebben we echter allemaal moeten achterlaten toen we de vlucht namen om het vege lijf te redden.”

Aan het woord is Jonas Knoop, eigenaar van een grote collectie negentiende en twintigste-eeuwse schilderijen en aquarellen, bijeengebracht sinds het begin van de jaren zeventig. In die tijd vestigde de heer Knoop zich, na jarenlange omzwervingen, weer in Nederland. Steunend op wat zijn vader na de oorlog weer had verworven, „maar dat was meer handel,” begon hij te verzamelen.

Jonas Knoop had, al was zakendoen in schilderijen hem niet vreemd, een ander oogmerk. Zijn drijfveer was privé kunstwerken te verzamelen van joodse schilders die niet-joodse algemene onderwerpen op het doek hadden vastgelegd. Hij wilde daarmee iets overbrengen van zijn eigen assimilatorische milieu. Ook die schilders, van wie Jonas Knoop er een aantal persoonlijk kende, zagen zich in de oorlogsjaren plotseling geconfronteerd met hun joodse afkomst, waarvan zij tot dan toe nauwelijks weet hadden. Ook die schilders waren volledig geïntegreerd in de Nederlandse maatschappij, met hart en ziel verankerd in het kunstleven van hun tijd, leden van verenigingen als Artiet Amicitiae.

Jonas Knoop herkende dat. „Mijn verzameling laat zien hoe ik zelf ben grootgebracht. Bij ons thuis werd niets aan het geloof gedaan. Alleen op Jom Kipoer (Grote Verzoendag) was de zaak dicht, dat wel. Als kind vatte je het niet zo, je ging naar een gemengde school, tot je door de bezetter op de feiten werd gedrukt. Er was geen joodse sfeer bij ons thuis. We wisten dat we joden waren, en dat was het.” Knoops collectie groeide gestaag. De meeste werken zijn geschilderd tussen 1880 en 1940 en vertegenwoordigen de stijl van de Romantiek, realistische kunst, dicht bij de smaak van het grote publiek. Af en toe is de relatie met het Amsterdamse impressionisme van een Breiner of Willem Witser onderscheidbaar, maar dat is niet strijdig want juist met de stromingen van hun tijd wilden deze kunstenaars zich verzwageren. Het Joods Historisch Museum raakte geïnteresseerd, en nam, met uitzondering van weinig stukken die bij Knoop thuis bleven hangen, de collectie in bruikleen. In 1981/1982 stelde het museum er een tentoonstelling uit samen, die de titel meekreeg: Tussen Israels en Sal Meyer, Nederlandse kunst als joodse cultuur, een verkenning. Een groot deel van wat toen, nog in het Waag-gebouw op de Nieuwmarkt, te zien was, komt nu bij Christie’s onder de hamer, als aparte rubriek in een grote auctie: de bruisende levensvreugde van Martin Monnickendam met een lachend paar op een groot stilleven dat hij, speels, de verboden vrucht noemde, de zeilwedstrijden bij de Olympiade in Amsterdam anno 1928 uit het palet van David Schulman, Pelikanen in Artis door David Bueno de Mesquita, een volkrijke aquarel van Isaac Israels met een Parijs kennistafereel, Benjamin Prins met een elegante dame, een vaas met tulpen en irissen door Louis Saalborn. En dan de werken van de schilders, die zich aangetrokken voelden tot de sfeer van het kunstenaarsdorp Laren, met de schaars verlichte interieurs van de arme boeren en de weidse heide-landschappen. Salomon Garf gaf er een plattelandserf gestalte, en Baruch Lopes de Leao Laguna een koeienstal. Zij ontmoetten elkaar in het levendige kroegje van Jan Hamdorff waar ze, gewoonlijk blut, in ruil voor een schilderij konden eten en drinken: I’histoire se répète…. zij het dat hun werken later nog wel eens in de kunstzaal Hamdorff belandden. Vergroeid met de samenleving in de eigen tijd dus, maar geheel zonder joodse noties? Kunst-critici in de jaren rond de eeuw-wisseling beschouwden toch gevoel voor dramatiek en kleur, zoals bij Monnickendam, als typisch joods. Dat ze er ook niet echt af wilden, bewijzen Z. Gosceimy, die de viering van het Loofhuttenfeest in een Oost-Europees sjoeltje in beeld bracht, en Benjamin Prins met zijn schildering van een rabbijn in tallit (gebedskleed). Maar deze tegenbeelden blijven excepties in de collectie van Jonas Knoop, die juist een illustratie wilde zijn van joods werk dat aansloot bij dat van hun tijdgenoten.

Veiling Christie’s, Corn, Schuytstraul 57, Amsterdam. Op 11 november 1987, om 11.00 uur. De nummers 248 tot en met 304 van de catalogus betreffen de collectie van Knoop. Kijkdagen van 5 tot en met 9 november 1987, van 10.00 tot 16.00 uur.